Toezicht op archeologie

De archeologische opgravingen, monumenten en vondsten

Kwaliteitsborging bij archeologisch onderzoek

In het veld werd de afgelopen jaren meestal een leidinggevende met voldoende kennis en kunde aangetroffen. Vaak was dit een senior KNA archeoloog. Wél blijven de voorgeschreven controles in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) een punt van aandacht. Het is in de kwaliteitszorg nodig om uitgevoerde controles systematisch vast te leggen en dat kan nog niet overal worden aangetoond. Met de  back-ups van digitaal gegenereerde gegevens is een belangrijke vooruitgang geboekt.

De afgelopen jaren gaf vaak een senior KNA archeoloog leiding  en was dagelijks in het veld aanwezig. Dan is het aannemelijk dat de voorgeschreven controles worden uitgevoerd. Dit wordt echter niet altijd vastgelegd en kan daardoor niet worden aangetoond. Voor een succesvolle certificering van organisaties, waar de sector zich op voorbereidt, is het kunnen aantonen van controles op de kwaliteit echter een cruciale eis. De organisaties die controles nog niet systematisch vastleggen maken op dat vlak nog een inhaalslag.

De inspectie heeft alle bedrijven die in de periode 2013-2014 substantieel veldwerk hebben gedaan, een of meerdere keren geïnspecteerd. Daarnaast zijn projecten van universiteiten en gemeenten met een opgravingsvergunning bezocht. In totaal gaat het om 51 inspecties.

Toename senior KNA archeologen

Geconstateerd is dat de vergunninghouders bijna altijd leidinggevenden inzetten met voldoende kennis en kunde om de opgravingen uit te voeren. Meestal was de leidinggevende senior KNA archeoloog. In enkele gevallen bestond het hele veldteam uitsluitend uit senior KNA archeologen. Dat is opvallend. Op basis van de KNA volstaat strikt genomen een KNA archeoloog MA. De inspectie heeft de indruk dat de toename van senior KNA archeologen in het veld mogelijk een neveneffect is van de sterke inkrimping van het personeel als gevolg van de crisis.

Medewerkers op de hoogte van kwaliteitszorg

Steeds vaker blijkt dat de medewerkers in het veld op de hoogte zijn van de kwaliteitszorg van de eigen organisatie. Verder werd een belangrijke vooruitgang geboekt in de omgang met digitaal gegenereerde gegevens. In 2011 werd nog geconcludeerd dat er vaak geen back-up procedures waren, en dat soms slechts één keer per week een back-up werd gemaakt. Inmiddels doet een overgrote meerderheid van de vergunninghouders dit dagelijks, een enkeling beperkt dit nog tot 2 of 3 maal per week.  

Belangrijke vooruitgang in de omgang met digitale gegevens

"Vondst in zijn context door aanpak illegale berging"

Illegale opgravingen

In de onderwaterarcheologie zijn de problemen van onrechtmatig opgraven groot. Voorwerpen worden soms illegaal weggehaald van scheepswrakken. Vondsten worden soms ook verhandeld. Dat vergde nieuw handhavingsbeleid ter bescherming van het maritieme erfgoed.

Archeologische vondsten van algemeen belang, die in de handel of privéverzamelingen verdwijnen, zijn niet meer zichtbaar en toegankelijk als onderdeel van ons gezamenlijke archeologische erfgoed. Bovendien is juist de samenhang tussen vondsten en opgravingsdocumentatie belangrijk voor wetenschappers, amateurarcheologen en geïnteresseerd publiek. Het opgraven zonder vergunning is dan ook schadelijk voor het behoud van het archeologische erfgoed.

Protocol illegale berging

Ter bescherming van het maritieme erfgoed heeft de Erfgoedinspectie aansluiting gezocht bij partijen die betrokken zijn bij de handhaving op de Noordzee. Er is met Rijkswaterstaat, de douane, de kustwacht en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) overlegd over de aanpak van illegale berging van wrakken met een cultuurhistorische waarde. Dit heeft geleid tot afspraken over de taakverdeling. Verder is een protocol opgesteld welke stappen genomen moet worden zodra een melding over een illegale berging binnenkomt.

In de zomer van 2014 is het protocol voor de eerste keer toegepast. Uit de evaluatie van de ervaringen die hierbij zijn opgedaan, bleek dat aanscherping van het protocol nodig was. Voor wat betreft de betreffende melding: deze heeft uiteindelijk niet tot handhaving geleid. Het bleek om een wrak te gaan dat zich buiten de 24-mijlszone bevond.

Input nieuwe wet

Naar aanleiding van het rapport ‘Grenzen overschreden?’  (november 2012), heeft de minister van OCW verzocht om heroriëntatie op de verhouding tussen wetgeving en praktijk. In samenwerking met de inspectie heeft de RCE op 20 juni 2014 de discussiedag ‘Grenzen aan graven’ georganiseerd, waarin gesproken is over optimale samenwerking tussen (detector)amateurs en archeologen. Conclusies uit deze discussiedag worden meegenomen in de nieuwe Erfgoedwet die begin 2016 van kracht wordt. Daarmee geven deze discussies input voor het ontwikkelen van een nieuw, integraal handhavingsbeleid. De Erfgoedinspectie zal in de komende tijd dit beleid mede opstellen en in de praktijk brengen.

Kwaliteit van bureau- en booronderzoek

Begin 2013 verscheen een verkenning van de RCE, 'Hooggespannen verwachtingen', naar de kwaliteit van de gespecificeerde archeologische verwachting in standaardrapporten van bureauonderzoek.

In dit rapport werd aan de beroepsgroep de aanbeveling gedaan om in de KNA nieuwe kwaliteitseisen op te nemen voor bureauonderzoek. Het Centraal College van Deskundigen (CCvD) heeft besloten deze aanbevelingen mee te nemen in het project Leidraad Integrale Benadering Vooronderzoek. Daarom is besloten niet op korte termijn een onderzoek naar de kwaliteit van bureau- en booronderzoek te doen. 

Bron: RCE RCE

Bewaar- en ontsluitingsfunctie provinciale archeologische depots

In 2014 is de eerste fase van het onderzoek naar de bewaar- en ontsluitingsfunctie van de provinciale archeologische depots uitgevoerd. Hierbij lag het zwaartepunt op de toegankelijkheid van de depots voor de individuele onderzoeker.

De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat Gedeputeerde Staten een depot in stand houden, waarin vondsten die in de betreffende provincie zijn gevonden, kunnen worden opgeslagen op een manier die uit het oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is. In 2014 is de eerste fase van het onderzoek naar de bewaar- en ontsluitingsfunctie van de provinciale archeologische depots uitgevoerd. Hierbij lag het zwaartepunt op de toegankelijkheid van de depots voor de individuele onderzoeker. De tweede fase van het onderzoek start in 2015.

Per provincie zijn twee (recente) vondstcomplexen geselecteerd.

Juist de samenhang tussen vondsten en opgravingsdocumentatie is belangrijk voor wetenschappers, amateurarcheologen en geïnteresseerd publiek.

Juist de samenhang tussen vondsten en opgravingsdocumentatie is belangrijk voor wetenschappers, amateurarcheologen en geïnteresseerd publiek.