Toezicht op basis van de Erfgoedwet

De Erfgoedwet is de basis waarmee de inspectie toezicht houdt op:

  • het archeologiebestel en de omgang met vondsten en bijbehorende documentatie, archeologische monumenten en vindplaatsen
  • het behoud, beheer en de zichtbaarheid van de rijkscollectie, collecties van nationaal belang en de nationaal beschermde cultuurgoederen en verzamelingen

Het toezicht richt zich op het beheer, het behoud en de duurzame toegankelijkheid van het beschermde cultureel erfgoed. De inspectie kijkt daarbij naar de professionele uitvoering van opgravingen, duurzame opslag en registratie en toereikende bewaaromstandigheden.

Ten slotte richt de inspectie op verzoek van Minister Bussemaker het toezicht in op de professionele organisaties voor monumentenbehoud (POM’s), en hun rol in het stelsel van de monumentenzorg.

Thema's op een rij:

  • Kwaliteit van archeologisch onderzoek
  • Duurzame bewaar- en ontsluitingsfunctie van archeologische depots
  • Illegale opgravingen en de meldingsplicht toevalsvondsten
  • Wegwerken achterstanden vondsten en documentatie
  • Opgravingsverbod op de Noordzee en de Waddenzee
  • Digitale collecties en administratie van de collectie
  • Veiligheidszorg
  • Beheer museale instellingen
  • Professionele organisaties voor monumentenbehoud (POM’s)

Vanaf 2018 voert inspectie reality-checks uit bij de certificaathouders.

Toegankelijkheid en duurzaam behoud archeologisch erfgoed

Archeologisch erfgoed is een belangrijke bron van kennis over ons verleden. Voor sommige perioden is het zelfs de enige bron. Het meest duurzame behoud van archeologisch erfgoed is doorgaans het in de bodem te laten zitten. Dit noemen we behoud in situ. Soms is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld door bouwwerkzaamheden. Dan kan ertoe worden overgegaan de resten uit de bodem te halen.

Archeologische opgravingen zijn in Nederland voorbehouden aan organisaties die in het bezit zijn van een certificaat. Omdat het opgraven van de resten niet herhaald kan worden, is zorgvuldigheid in het proces van het grootste belang. Alleen met een goede documentatie, zorgvuldige verzameling van vondstmateriaal én duurzame opslag van die documentatie en vondsten blijft de kennis over wat op die plek lag behouden voor wetenschap en publiek.

Kwaliteit van archeologisch onderzoek
Vanaf 1 juli 2016 wordt de kwaliteit van archeologisch onderzoek geborgd door het certificaat. Voor haar toezicht op het certificeringsstelsel richt de inspectie de komende twee jaar een monitor in en voert zij vanaf 2018 ‘reality-checks’ uit bij certificaathouders. Daarnaast voert ze inspecties uit bij opgravingen van universiteiten, hogescholen en amateurverenigingen. Deze organisaties zijn uitgezonderd van de certificatieplicht, maar moeten zich wel houden aan de voorwaarden hiervoor in de Erfgoedwet en het Erfgoedbesluit.

Om organisaties de tijd te geven voor het aanvragen van een certificaat geldt de komende twee jaar een overgangsfase. Opgravingen die vóór 1 juli 2016 gestart zijn en doorlopen na 1 juli 2016 vallen nog onder de vergunning. Dit geldt ook voor het traject van uitwerking dat daarbij hoort. Eveneens mogen organisaties met een vergunning tot uiterlijk 30 juni 2017 lopend onderzoek onder de vergunningsvoorwaarden afronden, inclusief het traject van de uitwerking. De inspectie inspecteert in deze fase de archeologische opgravingen die (nog) uitgevoerd worden onder de vergunning.

Vanaf 2018 worden de certificerende instellingen die de certificaten verstrekken geaccrediteerd. Tot die tijd wijst de minister de certificerende instellingen aan, en ziet de inspectie toe op de uitvoering van hun rol in het stelsel.

Duurzame bewaar- en ontsluitingsfunctie van archeologische depots
In 2015 zijn alle provinciale depots geïnspecteerd. Hieruit is gebleken dat er vooral risico’s bestaan op het gebied van het duurzaam behoud en de duurzame toegankelijkheid van digitale opgravingsdocumentatie. Tijdens dit onderzoek bleek ook dat het de provinciale depots over het algemeen niet bekend is hoe het er in de gemeentelijke depots voorstaat. Daarnaast was het hen onduidelijk of er op overeenkomstige wijze gewerkt wordt als bij het provinciale depot. Bijna tweederde van alle archeologische vondsten ligt niet opgeslagen in de provinciale depots, maar in de gemeentelijke depots. Goed zicht op de situatie in deze depots is dan ook belangrijk.

De inspectie start, in afstemming met de provincies, een verkennend onderzoek naar de bewaar- en ontsluitingsfunctie van de gemeentelijke depots. Eind 2018 volgt een rapportage hierover. Dan zal blijken in hoeverre het noodzakelijk is gemeentelijke depots ook te betrekken bij de ontwikkeling van een eenduidig beleid ten aanzien van digitale data. Voorop staat dat de provincies verantwoordelijkheid dragen voor de door hen aangewezen gemeentelijke depots. Naast dit onderzoek richt de inspectie de komende twee jaar een monitor in voor archeologische depots, waarmee we tweejaarlijks de naleving van wet- en regelgeving gaan meten.

Illegale opgravingen en de meldingsplicht toevalsvondsten
Illegale opgravingen (zonder vergunning of certificaat) zijn schadelijk voor het behoud van archeologisch erfgoed. Behoud en toegankelijkheid zijn in het geding als archeologische vondsten niet goed gedocumenteerd worden. Met de komst van de Erfgoedwet is op het gebied van illegaliteit een aantal wijzigingen aangebracht. Zo is het totaalverbod op metaaldetectie opgeheven. Het is nu toegestaan tot 30 cm diepte in de grond met een metaaldetector te zoeken naar archeologische vondsten. Dit geldt niet voor rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, terreinen waar een opgraving wordt verricht of die onderhavig zijn aan besluitvorming.

Belangrijke voorwaarde is wel dat de vondsten gemeld worden bij de minister, via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In het verleden is gebleken dat meldingen lang niet altijd gedaan worden, terwijl het stelselmatig bijhouden van nieuwe vondsten een waardevolle (locatie-gerelateerde) informatiebron vormt. De inspectie inventariseert de komende periode of de meldingsplicht beter nageleefd wordt.

Verhuizing van collectie

Wegwerken achterstanden vondsten en documentatie

Vondsten moeten geconserveerd worden. De wet bepaalt dat binnen twee jaar na de voltooiing van een opgraving een rapport moet worden overlegd aan de minister, de eigenaar van de vondsten (i.c. gemeente, provincie of Staat) en de betrokken gemeente. Archeologen moeten de vondsten samen met de bijbehorende documentatie aan het provinciale of gemeentelijke archeologische depot leveren.
 
Een aantal vergunninghoudende archeologische bedrijven kampt echter met achterstanden in de levering van vondsten, documentatie en rapporten. In totaal zijn het inmiddels meer dan 1000 projecten. Met de overgang naar het nieuwe stelsel van certificering hoeven de organisaties die een certificaat aanvragen geen opgave te doen van eventuele achterstanden. Dit brengt het risico met zich mee dat de achterstanden definitief niet meer weggewerkt worden. De inspectie ziet er de komende periode dan ook specifiek op toe dat de achterstanden van projecten die met de opgravingsvergunning zijn ontstaan worden weggewerkt. Het in oktober 2016 vastgestelde handhavingsplan van de RCE is hiervoor het uitgangspunt.

Opgravingsverbod op de Noordzee en de Waddenzee

De Erfgoedwet biedt ruimere mogelijkheden om het opgravingsverbod onder water te handhaven. Er hoeft niet meer aangetoond te worden dat er gravende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het is nu ook verboden om vondsten die op de (zee)bodem liggen mee te nemen. Voorheen was het alleen strafbaar als vondsten ‘opgegraven’ werden, oftewel waarvoor de bodem geroerd moest worden.

De afgelopen jaren is gewerkt aan een handhavingsplan voor het cultureel erfgoed op de Noordzee en de Waddenzee. Komende jaren gaat de inspectie diverse kwetsbare erfgoedlocaties op de Noordzee en de Waddenzee monitoren. Bij vaststelling van verdachte activiteit handelt ze conform het nieuwe handhavingsplan. Daarnaast bereidt het Ministerie van OCW de implementatie voor van het UNESCO-verdrag 2001 inzake de bescherming van het cultureel erfgoed onder water. De inspectie is hierbij betrokken en adviseert over de handhaafbaarheid van de regels.

Duurzaam behoud en beheer van collecties

Digitale collecties en administratie van de collectie
Museale beheerders moeten maatregelen nemen voor een duurzaam behoud van ‘born digital' collecties. Verder verplicht de Erfgoedwet de administratie van de museale cultuurgoederen duurzaam toegankelijk te bewaren. Hieronder verstaan we de geautomatiseerde collectieregistratie en de fysieke en digitale documentatie van de collectie. De inspectie gaat onderzoeken of de beheerders voldoende maatregelen nemen om dit te borgen. In 2018 publiceren we hierover een thematisch rapport. 

Veiligheidszorg
Er zijn aanscherpingen in het risicomanagement van musea nodig. Een intensiever gebruik van de collecties, klimaatveranderingen en terrorisme maken dit noodzakelijk. Beheerders dienen deze risico’s in te schatten. Ze moeten bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn aan het gebouw, aan elektronische voorzieningen of in de beveiligings- en calamiteitenorganisatie. De inspectie voert een onderzoek uit naar de wijze waarop beheerders dit doen. In 2018 publiceren we een thematisch rapport over dit onderwerp.

Beheer museale instellingen

Sinds de invoering van de Erfgoedwet vallen zeven musea voor het eerst onder ons toezicht. Dit zijn musea met een collectie van nationaal belang die voor het beheer van hun collectie subsidie ontvangen van het ministerie van OCW. Dat zijn:

  • Teylers museum
  • Keramiekmuseum Princessehof
  • Literatuurmuseum (tot 1 november 2016 Letterkundig museum)
  • Joods Historisch Museum
  • Nationaal Glasmuseum
  • Nederlands Fotomuseum
  • Persmuseum

We voeren in 2017 bij deze musea een nulmeting uit, een integrale inspectie op het collectiebeheer. De inspecties resulteren in inspectierapporten voor de betreffende instellingen.

Erfgoedinspectie voert nulmeting uit bij 7 nieuwe musea.

Professionele organisaties voor monumentenbehoud (POM’s)

In de periode 2013 tot en met 2016 heeft de minister van OCW 15 organisaties aangewezen als professionele organisatie voor monumentenbehoud (POM’s). Dit zijn organisaties die meer dan 20 rijksmonumenten in eigendom hebben, en aangetoond hebben deze op professionele wijze in stand te houden. Met deze aanwijzing wil de rijksoverheid goed eigenaar- en opdrachtgeverschap stimuleren. Voor de organisaties biedt de status van professionele organisatie voordelen bij de aanvraag voor instandhoudingssubsidie.

De Erfgoedinspectie ziet erop toe dat de POM’s na verloop van tijd nog voldoen aan de criteria van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim). De inspectie heeft afgelopen jaar een pilot uitgevoerd en vanaf 2017 krijgt het toezicht zijn beslag.

Monumentaal pand aan de Grote Poot in Deventer.

Opschrift 'tevreden' op het monumentale pand.

Het volledige Werkprogramma in PDF is te vinden op onze website.